Tweederangs burgers

The wall

Een verpletterende uitslag gisteren tijdens de deelstaatverkiezingen van Sachsen en Brandenburg: de Afd is in beide staten als tweede over de eindstreep gekomen, met 22,5% en 27,5% van de stemmen. In de Volkskrant stond al een aardig stuk over de redenen voor het rechtse stemgedrag in voormalig Oost-Duitsland. Zij noemden o.a. de hoge verwachtingen van democratie na de val van de muur, de onbekendheid van de voormalig socialistische staten met vreemdelingen en het gevoel tweederangs burgers te zijn.

Steden excelleren

Duidelijk is in elk geval dat er niets nieuws onder de zon is. Wie het archief van voorgenoemde krant erop naslaat komt een alarmerend stuk tegen over de verkiezing van 1999, waarbij de extreem rechtse DVU in het parlement van de staat Brandenburg dreigde te komen. Sinds de val van de muur is er enorm veel geld naar de deelstaten in het oosten gegaan. Het kon de ontvolking van het platteland niet tegengaan, maar feitelijk doen de grote steden het best goed. Er zitten talloze grote bedrijven in Leipzig en Dresden. Die laatste is zelfs een centrum voor IT bedrijven en chipbouwers, waaronder AMD. En ook de megafarmaceut GSK is er gevestigd. De universiteitsstad staat in de top 3 van meest leefbare steden van Duitsland. In Leipzig zijn behalve een universiteit ook fabrieken van Siemens, BMW en Porsche gevestigd. Ook hier louter positieve geluiden. In de gehele voormalige DDR is de werkloosheid sterk gedaald en benaderd die van het westen. Maar als het er zo goed gaat, waarom is er dan toch zoveel onvrede?

Chefs uit het Westen

Enerzijds vraagt dit om een ‘it’s the economy, stupid!’ leus, anderzijds zou ik die graag overboord willen gooien. Eerder lijkt het Oost-Duitsland van na de wende een gedesillusioneerd deel van het land te zijn geworden. De droom die er zoveel jaren leefde, en waarvoor zo hard is gestreden tegen de autoriteiten, bleek in werkelijkheid niet zo rooskleurig als verwacht. Met het oplossen in een vrije markteconomie en democratisch politiek stelsel hoopte men op gelijke kansen met de rest van het land. Maar die kwamen niet in de vorm die de mensen gewend waren; het leven werd niet langer door de overheid ingevuld. Bovendien stond het ook West-Duitsers vrij om zich naar het oosten te verplaatsen. Uit cijfers van de Volkskrant blijkt dat de landelijke ondernemingen liever een manager uit Hamburg of Hannover hebben, dan een uit Dresden. Slechts 1,7% van alle chefs in Duitsland komt uit het oosten en in het voormalige socialistische gebied zelf is dit 23%. Driekwart van alle chefs in Brandenburg en Sachsen is dus ‘import’. Meer werkgelegenheid is net zomin de oplossing voor deze scheefgroei als dat die helpt de vrouwenemancipatie te vergroten. Het economische argument is overigens deels wel van toepassing, maar het is vooral een indicator dat er iets mis is in de groei van dit deel van het land. In 2015 was het nominaal BBP per gewerkt uur in de voormalige BRD 46,8 euro, tegenover 33,8 euro in de voormalige DDR deelstaten.

Gezonde scholen

In Heerlen weten ze hier alles van. Nu zou je denken, dat is toch gewoon een Nederlandse gemeente? Klopt, maar wel een achterstandsgemeente, die decennialang heeft geteerd op de mijnbouw. De cultuur die hieromheen is ontstaan heeft trekken van die in Oost-Duitsland en laat zich moeilijker veranderen dan je denkt. Zo schreef de Volkskrant laatst over een gezonde scholen project, waarbij kinderen gezond te eten krijgen op school en veel leren bewegen. Het moet de negatieve spiraal doorbreken die hier van ouder op kind wordt doorgegeven. Die speelt zich af tegen een achtergrond van een andere levenshouding; vroeger zorgde de staat hier voor werk en sprak het leven voor zich. Er was verzuiling die je leven bepaalde, er was de baan in de mijn en je ging dood op je 45ste. De omslag die nodig was richting een eigen verantwoordelijkheid en een gezonde levensstijl, die is er nooit gekomen.

De moeilijkheden waar bewoners van Brandenburg en Sachsen tegenaan liepen in de nieuwe liberale BRD, had waarschijnlijk geen ossie zien aankomen. Sommige zaken, de werkloosheid, veranderen snel, maar het cultuurverschil en de spiraal van achterstand, die zijn niet zomaar doorbroken. Het maakt dat voor hen de zon niet hetzelfde schijnt; ze voelen zich nog altijd tweederangsburgers. Het is aan de conventionele partijen om hierop een antwoord te bedenken… voor de Afd ermee aan de haal gaat.

It’s the archive, stupid

In mijn tijd dat ik in de ruimtelijke ordening deed ik literatuuronderzoek. Dat klonk mooi, maar betekende in werkelijkheid niet meer dan dat je een rapport opzocht die als onderzetter kon dienen om je schoolprojectje op te bouwen. In het plan voor mijn huidige onderzoek lonkten het literatuuronderzoek en archiefonderzoek, al verwachtte ik er in de uitwerking wel meer van. Hier moesten echt zaken boven water komen waarvan Gouwenaars het bestaan niet afwisten.

Een paar maanden terug interviewde ik een bejaarde vrouw die wekelijks in het streekarchief dook om oude documenten (15e eeuw en ouder!) te digitaliseren. Ik leerde dat je daarvoor oude schrift moet leren lezen, de typografie uit die tijd. Wat ik me niet realiseerde was in wat voor een goudmijn de vrouw rondwaarde. Het streekarchief, dat was toch het domein van morsige oude mannetjes, die zuchtend micro-fiches ontcijferden voor hun gepensioneerde hobby? Dat leek het inderdaad, tot ik er deze week zelf indook. De vlotte, veel jongere medewerkers hielpen me op weg in het krantenarchief. Digitaal welteverstaan. De tijd dat je stof van dikke mappen af moest blazen om een eeuw te zoeken naar dat ene juiste artikel, die is wel voorbij. Nee, een zoekterm in de dikke balk op de pc is genoeg om tientallen krantenartikelen te vinden. Even het jaar 2004 selecteren en vliegt u maar!

Wat zich voor me uitrolde was niets minder dan een tijdlijn met krantenartikelen over het gewraakte sociaal pension in Gouda. Alleen voor dat jaar al zo’n twintig stuks. Of dat spannend is? Ja, ik kreeg er wel even de bibbers van toen ineens al mijn aannames over het onderwerp overhoop werden geschopt, als een olifant in een porseleinkast. Aan de andere kant; drie uur later had ik wel een complete reconstructie klaar. Gebouwd aan de hand van stukken in de voormalige Goudsche Courant, gecombineerd met informatie van wijkbewoners.

Natuurlijk moet je ook een beetje geluk hebben. Bijvoorbeeld met het ict defect dat me een alternatieve computer opleverde, een publiek exemplaar, verbonden met internet. Dit in tegenstelling tot de streekarchief pc’s, zo leerde ik later. En dus plantte ik alles zorgvuldig in mijn archiefmap op google drive om mijn digitale papiervoorraad aan te vullen. Mooi aan onderzoek doen, ieder stuk dat ik erin plaats, daar of elders, komt er alleen in terecht vanwege de meerwaarde. Zo zie je het bouwwerk zich voor je ogen langzaam opbouwen. Het opdiepen van artikelen uit het krantenarchief levert overigens geen ‘instant relief’ op. Het biedt een chronologische leidraad van gebeurtenissen en zo een basis voor het vervolg van mijn onderzoek. Een onmisbare draad die me hopelijk gaat helpen wel die meerwaarde te creëren.

Leuke verrassing van mijn zoektocht? Een artikel over overlast door hangjongeren in het Atlantispark. Het leek me sterk dat wij het op ons geweten hadden, terug in 2004, maar ik was er met vrienden geweest. Met een glimlach verliet ik de Choco. Op naar publicatie van ons overzichtsartikel! 

Automatisch bericht bij hitte: ik ben in het bos

Het is schroeiend heet wanneer ik de stationshal uit fiets. Hoewel avond en vlakbij zee, gaat de temperatuur nog moeiteloos over de 35 graden. De reis gaat naar een van de weinige nog koele wateren van ons grondgebied; de zee! Maar voor ik daar ben valt me iets anders op. Wanneer ik de Haagse ministeries achter me laat en de toegangsweg naar de stad passeer, kom ik in die andere koele omgeving terecht. Een plek die eigenlijk veel fijner toeven is dan het onbeschutte strand: het Haagse Bos. De temperatuur valt met minstens 5 graden en ik realiseer me dat dit is wat de stichting RioNed bedoelt met klimaatadaptatie.

Het zaadje werd geplant bij een gesprek met directeur Hugo Gastkemper van RioNed, tijdens een avond over klimaatadaptatie. Hij liet met behulp van een brochure zien welke maatregelen in de stad voor de meeste verkoeling zorgen. Bomen blijken verreweg het belangrijkste wapen. Met hun bladeren verdampen ze vocht en leveren ze schaduw. In het bos komt dit tot de optimale situatie, waardoor de bomen wel meer dan 5 graden verschil kunnen maken.

Hitte in de oude wijken

Op het hittekaartje van de gemeente Gouda kun je zien hoe de vlag er hier bij hangt. In het centrum en de jaren ’30 wijken niet zo best, zo zie je aan de helder oranje kleur. De versteende wijken zijn dichtbebouwd en hebben weinig groen, met als gevolg een hogere temperatuur (en slecht waterbeheer). Nu ligt Gouda op een aantal vlakken ongunstig, vergeleken met Den Haag. Zo heeft het geen stevige zandgrond, waarop het voor bomen goed toeven is en hebben veel bomen moeite om oud te worden op het zakkende veen. Maar het begint toch bij bewustzijn, nietwaar?

Kaart van de gemeente Gouda, de hete focuswijken zijn omcirkeld

15% groen moet tij keren

De prestaties van de laatste jaren zijn nog zeer matig, maar wat bewustzijn betreft zijn er stappen gezet. Onderzoek wees uit dat de omvang en kwaliteit van het bomenbestand in onze stad de afgelopen jaren is teruggelopen. Tegen de wens van het bestuur in. De stedelijke verdichting, waarbij binnen de stadsgrenzen boven uitleg in de polder gaat, is een belangrijke uitdaging van het groen. Daarom heeft de gemeente een, naar eigen zeggen revolutionaire, beleidsregel in stelling gebracht: bij nieuwbouwprojecten moet minimaal 15% van de oppervlakte groen zijn. Is dit echt niet mogelijk, dan kan compensatie worden aangevraagd, zodat het groen elders wordt gerealiseerd.

Ik begrijp ook wel dat je met groen in de stad niet het verschil kunt maken zoals bij een bos. Het moeilijke is namelijk dat je een historisch centrum niet kan veranderen in een bos. Ook is het onwaarschijnlijk dat we stukken van jaren ’30 wijken af zullen breken voor groen. Maar hoewel bomen in de stad een minder groot verschil maken, blijven ze de meest effectieve maatregel voor een leefbare stad. We roeien dus met de riemen die we hebben. Wie zich deze dagen afvraagt hoe het met deze hitte verder moet in de toekomst, kan de ventilator binnen eens verruilen voor het bos. Hier vind je de meest duurzame verkoeling die er is. Voor mensen die nog aan het werk zijn heb ik een boodschap; vanwege hitte ben ik tijdelijk in het bos.

Schrijven: werk of levensdoel?

Schrijven

Het lokaal deed denken aan het handvaardigheidslokaal uit mijn middelbare schooltijd. Schooltafels, schappen met verf, kwasten en handwerkgereedschap, hier en daar een van de trotse werkjes. Buiten –altijd buiten in mijn hoofd– keek de ruimte uit op een serie daken, een horizon van de stadsrail en populieren, in de lucht een licht wolkendek waar met een beetje geluk de zon later vandaag doorheen zou kunnen prikken. Een doorsnee zomerdag in 2012. Belangrijker was de mentale ruimte binnen de muren, beschermend en veilig. Dat was waar het allemaal begon, waar ik mijn eerste regels voorgelegd kreeg, om ze uit te bouwen tot een kort verhaal. In de proeftuin, zoals de begeleidster de vrijplaats voor creativiteit altijd noemde. Alles bleef hier binnen de muren, of hoefde in elk geval niet gelijk op Instagram of Facebook beoordeeld te worden. Ik moet daar nog weleens aan terugdenken als ik lees over het schrijfproces van gevierde schrijvers; het kindje is van jou tot op het moment aan het einde, waarop je het loslaat. Dan komt het ter wereld, dat innige, kwetsbare stukje van jezelf op papier. Deze verhouding maakt het mogelijk om je creatief vrij te voelen om op te schrijven wat nodig is. Het grootste gevaar van het creatieve proces is dat de rem erop gaat, uit vrees dat iets er niet mag staan. Voortijdig commentaar op je creatie kan die schakelaar ongewild omzetten.

Extase

Wat de magie van schrijven is beschreef Karl Ove Knausgard mooi in zijn interview uit 2013 in het programma ‘Boeken op Reis’ (Wim Brands). De extase van het schrijven, een soort manie waar je in terecht kan komen wanneer je volledig in de wereld van je pen terecht komt, dat is waar het om gaat. 24 uur schreef de man aan een stuk door over de verliefdheid op zijn huidige vrouw, vermoedelijk geen uitzondering in schrijversland. ‘Dat is waar iedere schrijver het om doet’, zei Knausgard dan ook. ‘En zo niet, dan ben je geen schrijver’. Het verleende de somber aangelegde Noor zingeving op die vele momenten waarop het leven er voor hem niet toe doet.

Toen ik terugdacht aan de korte verhalen die ik eerder schreef wist ik dat hij gelijk had. Ook toen had ik uren waarin niets anders meer bestond dan de wereld van mijn verhaal. Opgeslokt, verdoofd alsof ik in een soort trip zat, leefde ik in die parallelle wereld. Het is op zo’n moment niet dat je je af moet vragen wat er zou moeten gebeuren in het verhaal, nee, je bent er en hetgeen moet gebeuren gebeurt voor je ogen. Je bent een spectator, een toeschouwer van je eigen personages. Zo kwam het dat ik me tijdens het schrijven van een verhaal verwonderd zat af te vragen wat er vervolgens met mijn hoofdpersoon zou gebeuren.

Werk of levensdoel

Intussen huist ergens in mijn hoofd een laatje waarin werk iets is dat nu eenmaal moet gebeuren. Dat het oké is als ik er geen plezier aan beleef en ik me maar heb aan te passen. Maar hoewel het schrijven van fictie geld kan opleveren, is het in die zin geen werk; het is een persoonlijk levensdoel. Het gaat erom iets te maken waarmee je jezelf overstijgt; iets maakt dat groter is dan jijzelf. En het voelt zoveel sterker dan alle andere dingen in het leven, zelfs elementaire zaken, waarin veel liefde huist. Precies dat was de reden dat dezelfde Knausgard in een eerder boek, toen hij onder druk van een deadline zo’n manie indook, tegen zijn woedende vrouw (die hem dreigde te verlaten) zei; ‘ik doe het toch. Ga maar bij me weg, als dat is wat nodig is…’. Schrijven is voor mij het allerbelangrijkste om te doen en ik voel de verplichting aan mezelf om eraan te werken die taak te vervullen. Toch was er een ding uit het interview met Brands waar ik nog over twijfel. ‘Ik zou een arm afzetten als dat me een goede roman op zou leveren’. Leuk gevonden, maar het schrijft zo lastig…

Elke week iets wijzer: klimaatadaptatie in Gouda

‘Je bent nog op tijd’, schudt een gemeenteraadslid met een bekend gezicht me de hand. Het is woensdagavond, twee minuten voor half acht en de afdeling ‘klimaatverandering lokaal’ is samengestroomd in de raadszaal van Gouda. Een niet bestaande term voor de werkgroep van gemeenteraadsleden, de maatschappelijke organisaties, het met de gemeente samenwerkende ingenieursbureau Nelen en Schuurmans,  het Hoogheemraadschap en een stukje pers. Nou ja, radio Gouwestad en ik.

De spelers

Een jongeman van mijn leeftijd van het ingenieursbureau leidt de avond in. Het zijn de bekende verhalen: de wethouder voor me zit op haar tablet te scrollen over haar Facebook tijdlijn. Ik moet onwillekeurig denken aan de Tweede Kamer, waar kamerleden die dat doen zo’n ongeïnteresseerde indruk maken. Ik pak mijn telefoon er ook maar bij, want ik ben zelf tenslotte maar een toeschouwer. Het was even twijfelen geweest waar ik moest gaan zitten. De raadszaal bestaat uit een tweetal rijen met stoelen, in een halve maan rond de centrale spreekstoel geplaatst. Wijselijk heb ik achteraan plaatsgenomen, achter de twee rijen, waarvan later blijkt dat ze door de raadsleden en wethouder worden bezet. Er komt een voorstelrondje, heel kort, benadrukt de jongen. Ik hoor namen van mensen waarvan ik nog geen plaatje in mijn hoofd had. De voorzitter van de operatie steenbreek, ettelijke malen telefonisch gesproken. Een aantal bekende namen uit de gemeenteraad. Ha, de Marokkaans-Nederlandse vrouw die naar aanleiding van mijn artikel in de krant, anderhalve week geleden, lasterlijke mails stuurde aan de redactie is er ook. Ze heeft geen idee dat de schrijver van het stuk vijf meter verderop zit. Ik kan een lach niet onderdrukken.

Gouda’s rol

De verrassing van vanavond: de directeur van stichting Rioned houdt een praatje. Maar ook vrijwilliger bij onze krant en burgerraadslid Theo verrast me met zijn aanwezigheid; hij blijkt lid te zijn van de werkgroep klimaatadaptatie. Deze werkgroep is opgericht onder druk van het Rijk, want ook Gouda moet haar steentje bijdragen om het veranderende klimaat het hoofd te bieden. Er is een communicatieplan opgezet en Theo wijst aan dat we nog maar in het begin zitten. Vanavond is de stakeholdersbijeenkomst; iedereen levert input en de werkgroep gaat daarmee aan de slag.

Tijdens de eerste ronde koffie spreek ik de directeur van Rioned aan. Zij hebben een interessante brochure gemaakt, met daarop allerlei voorgestelde aanpassingen met hun effecten onder elkaar. Mijn vraag over de rol van bomen in de verkoeling van de stad, is daarop terug te zien met een grote stip (veel effect op verkoeling). Ik ervaar het als een buitenkansje de man te spreken, want als iemand er verstand van heeft is hij het.

Het centrum: waardeloos

Meest verbluffende idee van de avond is by far de ‘houdbaarheid van wonen in het Goudse centrum’. Al jaren loopt er een onderzoek van de gemeente en het waterschap. De huizen zakken, het waterpeil stijgt en de marges om de boel droog te houden worden steeds kleiner. Hoe moet dat in de toekomst? Er zijn wel oplossingen, klinkt in de groep, zoals de fundering vervangen voor een drijvende variant. Maar de kosten zijn immens. De hamvraag: zijn deze peperdure grachtenpanden dan wel waard wat er voor gevraagd wordt?

Het meest ludieke idee voor aanpassing aan zware regenval en droogte, is de herintroductie van de ‘sceptic tank’ in de tuin. 1000 tot 2000 liter regenwater opvangen, dat is wel wat anders dan een regenton! Een ideale oplossing voor zowel de regenval als droogte. Theo weet er wel een te staan; een idee dat ik meeneem naar begin volgende week, op de redactie.

Hoe de krant uw nieuws inkleurt

In de Volkskrant van 7 mei werden twee artikelen naast elkaar gepubliceerd: een over een crash met een Russische Soechoj en een over de neerstortende Amerikaanse Boeings. Het artikel over het Soechoj vliegtuig kreeg de titel: ‘Grote twijfel over Russische trots’ mee. Het stuk over Boeing ‘Issue met 737 Max 8 al jaar voor crash bekend bij Boeing’. Framing?

Chocoladeletters

Even de cijfers naast elkaar. Beide vliegtuigen zijn sinds hun presentatie twee keer neergestort. De Soechoj stortte tijdens de presentatie in Indonesië in 2012 neer en nam in zijn val alle 45 passagiers mee. Recent stortte het toestel na een blikseminslag in Rusland neer, 41 van de 78 passagiers kwamen om.
Dan de Boeing, eveneens een nieuw toestel. Deze stortte vorig jaar in Indonesië neer en nam 189 mensen mee in zijn val. Recent stortte het toestel in Ethiopië neer, waarbij alle 157 inzittenden om het leven kwamen.

Welk vervolg werd aan beide gegeven? In Rusland start nu een onderzoek naar de crash. De krant meldt dat wordt onderzocht of het aan het weer, de techniek, of aan menselijk falen ligt. Experts wijzen op slechte assemblage. Soechoj was het bedrijf dat in de Sovjet-tijd vooral bekend stond om zijn barre trackrecord in vliegrampen. Dit toestel zou daarin verandering moeten brengen, dus de link is niet vergezocht.

Het artikel over Boeing bericht van het feit dat de vliegtuigenbouwer al een jaar voor de Indonesische crash (de eerste van de twee), wist dat er iets mis was met het vliegtuig. Daar heeft zij niets mee gedaan. Al na die eerste zinnen spoken de Telegraafse CHOCOLADELETTERS mij door het hoofd; niets mee gedaan? Pardon? De 737 Max toestellen stortten neer nadat de neus door de autopilot rigoureus naar beneden werd gestuurd. Piloten kregen onjuiste gegevens door van de systemen, waardoor zij hierop niet konden anticiperen. Pas na de crash in Indonesië werden de instructies voor piloten aangepast. Voorzitter van de pilotenbond John Weaks: “Als ze het al wisten in 2017, waarom is er dan tot bijna het einde van 2018 gewacht met een aanpassing van de handleiding?”. Harde kritiek lijkt op zijn plaats.

Framing

De koppen van artikelen worden ingezet om de aandacht van lezers te trekken (volgens het AIDA marketingmodel). Vaak wekken ze een suggestie, doen ze een vingerwijzing, naar de schuldige van het slechte of opmerkelijke nieuws.

Het geval van het Amerikaanse en Russische vliegtuig is zo interessant omdat er heel verschillend wordt bericht over de feitelijke situatie. Dat heeft veel te maken met het land waarin dit nieuws zich afspeelt. Gaat het over Rusland dan hebben we associaties als: Poetin’s dictatuur, militaire agressie, MH17, spionage en andere politieke beïnvloeding. We grijpen een ramp met een voormalige Sovjet vliegtuigbouwer aan om smalend te lachen: ‘ha, zie je wel, die mensen doen wel alsof ze het kunnen, maar ze kunnen er nog steeds niets van’.

Als het gaat over Boeing, dan denken we aan Amerika: het ‘land of the free’, ‘the American Dream’, de bevrijders van ons land, democratie en wat al diens meer zij. We voelen een zeker vertrouwen versus de democratische orde in het land en kennen de uitstekende reputatie van Boeing. We gaan er dus spoorslags vanuit dat een van de belangrijkste Amerikaanse bedrijven handelt volgens onze regels van moraal en ratio. Ondanks dat een artikel als het bovenstaande recht de andere kant uit wijst, blijven we oordelen met mildheid. Boeing blijkt de ene na de andere doodzonde te hebben begaan (Al Jazeera, 19 mei: ‘Boeing admits flaws in 737 MAX simulator software after crashes’), maar de toon blijft gelijk.

‘Carry on people’

Wat we verwachten is dat achter de bühne, waar zowel bij de Russen als Amerikanen van alles gebeurt dat het daglicht niet verdragen kan, bij de Russen heel veel van het ergs gebeurt waar we over berichten. Want vroeger waren alle vliegtuigen van deze bouwer slecht. Boeing had een uitstekende reputatie en is van de Amerikanen, waarvan we verwachten dat het allemaal verder wel meevalt. Je ziet dat dit veel breder speelt. Niet om er al te ver over uit te wijden, maar we laten de Amerikaanse geheime dienst vrolijk rondlopen in onze Nederlandse veiligheidsgeheimen, we hebben ze nodig. In ruil daarvoor krijgen we te maken met chantage en intimidatie wanneer we niet handelen zoals zij dat voor zich zien (Iran, Afghanistan, JSF dossier, etc). De Russen? Die beschuldigen we van spionage omdat ze met een knullige auto met afluisterapparatuur in Den Haag worden gesnapt.

Kortom, het zal heel wat moeite kosten om het gestaalde positieve beeld dat we van Boeing hebben in het Westen te laten kantelen. De koersen van het bedrijf op de beurs zijn daarvan het bewijs; niets aan de hand mensen, carry on… carry on. Nee, voor zo’n kanteling zijn twee crashes niet genoeg. Daarvoor moet eerst uw complete wereldbeeld op zijn kop en van de krant hoeft u daarbij geen hulp te verwachten.

Leren samenwerken doe je als kind

Je hoeft maar Radio 1 aan te zetten, een podcast te luisteren van een kritisch praatprogramma of er komt wel een discussie langs over de polarisering van de samenleving. Over hoe we individualistisch zijn geworden en recht tegenover elkaar staan. Dat dit tot uiting komt in het open riool waartoe twitter is verworden. Maar hoe kunnen we de komende generaties nu zo opbrengen dat het straks beter gaat?

Schrik niet, maar ik keek laatst naar een tv-programma (!) en zag dat daarvan soms wat te leren valt. Het betreffende programma heette ‘Jouw Stad, Ons Dorp’, waarbij een stadse familie van huis ruilt met een dorps gezin. Een gezin uit het Brabantse dorpje Meeuwen nam deze aflevering de plek in van een Surinaams-Nederlands gezin in volkswijk Laak, Den Haag. Grappig om te zien, de mensen uit Laak kregen een aardige cultuurshock maar wisten zich in het dorp staande te houden. De dorpelingen hadden in de stad in eerste instantie zwaarder. De grootste confrontatie in Den Haag was om met hun afkeer van multiculti om te gaan, zoals het gezinshoofd dat verwoordde. Want, merkten ze, ga je naar de Haagse markt, of het buurtcentrum, dan lopen alle nationaliteiten door elkaar. En toen gebeurde er iets…

Voetballen

Het was toen zijn zoontje een trapveldje in Laak betrad. Hij mocht meespelen met een groepje jongens, vele nationaliteiten vertegenwoordigd. De ouders stonden (nog net niet zichtbaar) met open mond vanaf de zijlijn toe te kijken. Thuis had hij niemand om mee te voetballen en hun zoontje ging helemaal op in het spel met zijn leeftijdsgenootjes. Of die nu zwart, geel of paars waren, daar gaf natuurlijk niemand wat om. Toen vader de tegenzin zag waarmee zijn zoontje er wegging begon zijn mensbeeld (‘ik stem PVV, daar ben ik heel eerlijk over’) te bewegen.

Zelf altijd betrokken bij het buurtcentrum in het dorp, ging het gezin daarna naar het lokale buurthuis in Laak. Daar werd het standbeeld van vreemdelingenafgunst definitief omver getrokken. Iedereen was er welkom, iedereen hielp elkaar. Er kwamen daar wel 170 mensen per week. De belangeloze zorg voor elkaar pakte de man stevig beet en zette hem op een heel andere plek weer neer

Niet geweten

Hij gaf ruiterlijk toe dat hij in het dorp hiermee niet in aanraking kwam. En ik proef daarin een gemiste kans. Want het is helemaal niet zo ingewikkeld om een soortgelijke ervaring al op jonge leeftijd te creëren. We stimuleren studenten om met uitwisselingsprojecten tijdelijk naar China te verkassen, maar de basisschool doet er niets aan. Hoewel, er bestaat wel een initiatief, wat ook gezien en gesteund wordt vanuit Den Haag; burgerschapsonderwijs. Hierin leren kinderen van verschillende afkomst of klasse, hoe ze samen moeten werken. Ze krijgen een minimaatschappij voorgezet, bijvoorbeeld een eiland waar nog niets is. Samen moeten ze eruit komen of er een moskee moet komen of een kerk, of wellicht allebei; welke regels belangrijk zijn; en hoe ze daar ondanks hun meningsverschillen met elkaar uit kunnen komen. Samen leren ze wat ze belangrijk vinden en hoe ze dat een plek kunnen proberen te geven in de maatschappij. Dit alles gegoten in een spelvorm.

Als je zoekt naar ‘minimaatschappij’ vind je op youtube hoe dit werkt. De kindertijd is de ultieme kans voor de overheid om mensen klaar te stomen voor een maatschappij waarin je er met elkaar uitkomt. Grijp die kans zou ik zeggen, want wie zaait, zal oogsten.

Internet en de vrijheid om vogelvrij te zijn

Een vader, zijn zoon van 15 en diens zusje wonen samen. Vaders houdt zich bezig met het opkopen, inenten en doorverkopen van puppies. Dochter wordt met zoon op pad gestuurd om zieke puppies om te brengen. Dat doet zij op wrede wijze. Zoon filmt dochter en zet het op Youtube. Op internet wordt een heksenjacht ontketend. Spoileralert: het meisje wordt uiteindelijk herkend, komt een spreekwoordelijke lynchpartij toe, om uiteindelijk in een dichte ton van een brug af te worden gegooid. Haar broer springt haar achterna. Einde film.

Vergeven

Een heftig verhaal, moeten de makers van deze Nederlandse film ‘Vind die domme trut en gooi haar in de rivier’ hebben gedacht, maar het moet worden verteld. Behalve dat het verhaal gaat over verantwoordelijkheid, stippen ze er ook een van de belangrijkste vragen rond het World Wide Web mee aan: wie beschermt kwetsbare mensen tegen de krachten van het internet? Zoals deze kinderen, die een fout begaan dankzij de opvoeding van hun vader, die op hun leeftijd nog verantwoordelijk voor ze is. En daarbij, omdat kinderen fouten maken. Fouten die niet meer worden vergeven, omdat kijkers door het hele land en met een beetje pech ook in het buitenland, hebben gezien wat ze hebben gedaan. De gevolgen van een roekeloze upload van videomateriaal zijn groter dan een individu, laat staan een kind, bevatten kan. Het doet een beetje denken aan wat men zegt over de menselijke psyche en klimaatverandering. ‘Het is te groot en abstract voor een mens om te kunnen bevatten’, daarom gebeurt er onbewust niets.

Dorpsgek van Koedijk

Als we even terug in de tijd gaan komen we bij specifieke media die zulke grote groepen mensen bereikten: kranten, tijdschriften, radio en tv. De wetten van de journalistiek zijn uit die verantwoordelijkheid ontstaan. Hoor en wederhoor bijvoorbeeld, of (ons lokale) gebruik dat een geïnterviewde voor publicatie het stuk mag controleren op feitelijke onjuistheden. Zaken die zijn ontstaan uit een gevoel van verantwoordelijkheid, handig wanneer je publiceert voor een groot publiek. Wordt het publiek kleiner, zoals met de krant waar ik voor schrijf, dan vermindert het gewicht van deze regels evenredig. Met de groei van het internet veranderde de exclusiviteit van de media. Intussen is iedereen zijn eigen redacteur, maar dan zonder dat er een borging is van de verantwoordelijkheid die daarbij hoort. Uitingen op internet worden daardoor alleen nog beperkt door het de morele fijnzinnigheid van de publicist. Bij gebrek aan een georkestreerde correctie van nepnieuws is het geen wonder dat meningsverschillen worden gewonnen door degene die het hardste schreeuwt. Als tegenreactie lijkt de verantwoordelijkheid te verschuiven, naar de platforms die commentaren en publicaties verwijderen. Maar geen enkel platform filtert onzin uit hun feeds. Komen we bij Youtube, dan worden onthoofdingsfilmpjes verwijderd, seks houdt men niet in de lucht, mishandeling wellicht ook niet. Maar als iemand klinkklare onzin verkondigd, omdat hij nu eenmaal de dorpsgek van Koedijk is, is er niemand die een vinger uitsteekt. Dat dit ernstige gevolgen heeft, kan een kind bedenken.

Vogelvrij

Want als iedere dwaas zonder restrictie dingen wereldwijd kan gaan delen, hoe verhoudt dit zich dan tot de wetten die vroeger voor de landelijke media golden? Wie neemt verantwoordelijkheid voor de juistheid van ons nieuws? Wie beschermt onze dommen en dwazen, wie onze kinderen? Je vader en moeder in elk geval niet meer. Werd het kind eerst gepest op school, een plek waar het bescherming kon krijgen van school, ouders of politie. Nu wordt het wereldwijd geëxposeerd aan tomeloze haat en springt het van een brug. Willen we echt deze prijs betalen om vogelvrij te zijn? Internet behoeft een vrijheidsbeperking, omdat vrijheid een zekere verantwoordelijkheid met zich meebrengt die niet iedereen altijd kan opbrengen. Die beperking gaat niet ten koste van de burgers, maar komt ten bate van hen. Het levert hen juist een stuk bescherming die in onze dreigende wereld teloor is gegaan. Maar leg dat maar eens uit!

Alle mensen… wat een fietspad!

Gisterenmiddag, 12 uur precies, begon het. Ik was 25 minuten onderweg toen ik het fietspad voorbij Moerkapelle opdraaide. Het nog vrij nieuwe, recreatieve fietspad dat langs het Bentwoud, boven Zoetermeer langs loopt. Hier begon de drukte. Het beginstuk, tot voor je de HSL passeert gaat wel. Maar op het stuk boven Zoetermeer langs heerst er eigenlijk één tempo: het tempo van de traagste. Geen snorfietsen hier, die zich met scootertempo er tussendoor proberen te wringen. Wel tandems, ligfietsen, wandelaars met kinderen, vissers en ga zo maar door. En nu was ik net tempo aan het rijden, wind achter, met 30+ km/u. Mijn oma maakte zich toen ik nog maar een ventje was al zorgen over mijn snelheid; ‘ga je wel op straat fietsen’, zei ze dan. Dat snapte ik niet, thuis moest ik juist op de stoep, maar we woonden dan ook aan een drukke weg. Aan de drang naar snelheid is sinds ik voor het eerst op mijn kleine fietsje stapte weinig veranderd.

Maar intussen ben ik volwassen en realistisch genoeg om te weten dat niet iedereen blij wordt van het tempo waarmee ik over het drukke fietspad jaag. Want het fietspad, dat is van iedereen. Je kunt het haast zien als een symbool van vrijheid; alles mag en we komen er samen wel uit zonder dat iemand gewond raakt. Dat is een nieuwe benadering. Waar planologen voorheen een duidelijk herkenbaar wandel- en fietspad maakten, loopt het nu vrij door elkaar. Dat het zo vrij kan, is iets dat ik erg waardeer. Toch dringt zich soms de vraag op; hoeveel mensen passen er eigenlijk op een fietspad

Sorry, voor u geen ruimte…

Dat vraagt de overheid zich ook regelmatig af. De uitdagingen stapelen zich op. Door de explosie van snorfietsers in Amsterdam bijvoorbeeld, voor wie op de overvolle fietspaden eigenlijk geen ruimte is. Maar ook door de opkomst van snelle elektrische pedelec fietsen, die met een top van 45 km/h menige weggebruiker verrassen. Ook de pedelec’s moesten al snel naar de straat verhuizen, ze vallen intussen onder de regels van de bromfiets. Met het verplaatsen van de snorfietsen naar de openbare weg, zoals in Amsterdam nu gebeurt, wordt de grens weer een stukje opgeschoven. Op de recreatieve zondag in de polders van de Randstad zijn het trouwens geen snorfietsen en pedelec’s die elkaar in de wielen rijden. Maar verrast word je er wel.

Stompwijk

Goed, waar was ik. Ah in Zoetermeer! Verder ging het vanaf daar, langs de Zoetermeerse Plas, waar het altijd druk is als het zonnig is. Momenten waarop alles en iedereen over het fietspad loopt auto’s het fietspad kruisen en mensen oversteken zonder om te kijken. En dan heb ik het nog niet gehad over die kostelijke kinderboerderij, net voorbij de plas. Het is een vrij land he, temper ik mijn irritatie. Vervolgens is er vrij baan, een soort van, tot ik bij Stompwijk kom. In dat kneuterige oud Hollandse dorpje passeren net de deelnemers van een autorally. Een beeld dat je wel gewend bent zou je denken; oude auto’s die toeren over Hollandse binnenwegen. Maar ik werd me er van bewust door een heel andere bolide: een splinternieuwe helblauwe Lamborghini die me tegemoet kwam. De twee deelnemers in de supercar hadden de uitgang van het dorp klaarblijkelijk gevonden, maar dat leek niet voor iedereen weggelegd, getuige de Porsches langs de kant van de weg. Bijrijders die naarstig op een kaart turen, stapvoets rijdende auto’s, een BMW M3 cabrio die op een kruispunt probeerde te keren, omringd door fietsers. Al bij al een potsierlijke vertoning. Al was het begrijpelijk dat zij er weg wilden, met hun straf afgestelde dempers op de scheve klinkers in de dorpsstraat. De meest bijzondere auto vond ik trouwens toen ik het dorp aan de andere kant uit reed: een met graffiti bespoten Fiat Panda van twintig jaar oud, met twee jonge gasten erin. Raampjes naar beneden draaien, radio aan en gaan!

De elektrobrigade

Het dorp uit, heeeheeeh… Was ik net de draaiende BMW M3 voorbij en daar liepen twee edele paarden midden op het fietspad, of er nooit fietsers en wandelaars hadden bestaan. Het was ze gegund, maar een beetje vreemd was het wel. De route zou snel vervolgen via de weilanden naar de landgoederenzone van Wassenaar. Hier kwam de grote schrik van de fietspaden in beeld; elektrische fietsers. De elektrobrigade, zoals een kennis ze noemt. Deze mensen fietsen vrijwel altijd met zijn tweeën, of achter elkaar aan, waarbij ik me telkens afvraag wat daar de gezelligheid van is, of naast elkaar, waarbij de linker van de twee midden op straat fietst, zodat er niemand meer langs kan zonder te vrezen voor zijn gezondheid. Want ja, ze rijden 25 kilometer per uur en wie zou ze nou inhalen? Nou, misschien een van de vele wielrenners, die gewoonlijk tussen de 25 en 35 km/h rijden. Hebben we het nog niet gehad over midden op straat opstappen en het letsel dat zij zichzelf ieder jaar uit onmacht toebrengen. De beweging is winst, maar de verkeersveiligheid lijkt het kind van de rekening

Gedragsregels

Eenmaal heelhuids in Meijendel aangekomen ben ik een beetje op en pas mijn tempo aan, aan de realiteit van het smalle fietspad door de duinen. Hier zijn de kaarten anders geschud. Hier zijn het de wielrenners die worden verketterd. Dat bleek vorig jaar wel op het terras bij de Boerderij van Meijendel. Oude krantenartikelen uit de jaren 80 en 90 wezen gasten erop dat wielrenners hier vroeger ook al de grootste irritatie waren. Dat is nog niet veranderd, hoogstens wat aangevuld door andere weggebruikers. De paden door de duinen zijn smal en het aantal fietsers, het aantal op en afritten en overstekende wandelaars talrijk. Gedragsregels bestaan alleen in het hoofd en dus volgt de vraag; is die vrijheid houdbaar? Het zou een beetje treurig zijn als we daar ook al bordjes voor neer moeten zetten. Dat doet me een beetje denken aan de borden met gedragsregels in Rotterdam Crooswijk, waar bewoners erop wordt gewezen dat ze elkaar kunnen groeten (oh ja joh? Oh!). Als het al zo ver is… Heelhuids bereik ik de waterplaats van Wassenaarse Slag, waar het wemelt van de fietsers. De lentezon is doorgebroken en daarmee ook de zucht naar drinkwater. Met het vers getapte, koude water loop ik naar een rustige plek. Een paar slokken en een handje noten en er komt stilstand in mijn wereld. Alle beweging verschuift van mij naar de wereld om mij heen. Ah ja, daarvoor kwam ik hier zo snel naartoe gereden: rust!
 
 

Hoe het stokpaardje zijn krachten verloor

De BMW M5, dat was het magische codewoord toen ik stage liep bij de BMW-dealer in Gouda. De man die aan de brug tegenover de mijne werkte had destijds -in 2004- een splinternieuw exemplaar die hij rijklaar moest maken. De jongensdroom van meer dan een ton stond daar in metallic lichtblauw te glinsteren, een plaatje dat in mijn geheugen gegrift staat. Of ik mee wilde?

Voor de liefhebber, de auto beschikt over een 5.0L 8-cilinder met 400pk en 500Nm trekkracht en slipte daarmee nog in zijn twee. M’n collega demonstreerde op een Goudse binnenweg hoe hij in 5 tellen de 100 aantikte. Ik weet niet hoe lang ik daar achteraf nog over heb zitten dagdromen. Maar het is intussen 15 jaar geleden en niet alleen dromen vervagen, ook stokpaardjes verliezen hun waarde. De laatste tijd sneller dan ik had gedacht.

Mijn reactie als ik nu een nieuwe BMW M5 zie? Hmm… leuk, maar jammer dat hij op benzine rijdt. Dat gevoel zat voorheen al ergens in mijn hoofd, bijvoorbeeld wanneer ik een Tesla of Karma zag rijden; loeisnelle elektrische auto’s, die het in het dagelijks verkeer ook prima doen. Maar het kwartje viel pas toen ik een week of twee terug meereed in een elektrische Nissan Leaf. Al bij de eerste acceleratie blaast de compacte Japanse gezinsauto met een zucht alle benzine-aangedreven concurrenten omver. Een Nissan, zul je denken? Jep, deze saaie auto uit de onderkant van het middensegment. Het moet gezegd; het is een auto die je volgens de eigenaar niet moet kopen. Je komt er in de praktijk maar 160 km ver mee, om vervolgens 1,5 uur bij de pomp te staan. En wie zet daar zijn krabbel onder? Wat hij mij desondanks liet zien is dat het comfort en de trekkracht zodanig zijn dat het benzineauto’s van premium merken als Audi, BMW en Mercedes naar de kroon stijgt.

Dat weten ze in Duitsland ook en daar worden ze er stiknerveus van. Een commentator haalde in zijn artikel een topmanager van Volkswagen aan. Die zei dat hij het een ’50-50 kans dat we het redden’ gaf, dat de premium merken over tien jaar nog bovenaan de voedselketen zullen staan. De Duitsers zijn als de dood dat zij zonder hun superieure verbrandingsmotor tot de Samson van de autowereld zullen verworden. Het wegvallen van dit concurrentievoordeel geeft Aziatische merken de kans hen geruisloos (elektrisch) te passeren. En dan is er nog de achterstand; ze liggen elektrisch mijlenver achter op merken als Toyota, Nissan en Hyundai en uiteraard Tesla. En dus wordt er in ons buurland koortsachtig gewerkt aan nieuwe elektrische techniek en modellen en geven we het oordeel aan de tijd.

Hoe de strijd zich ook ontvouwen mag, er is nu al geen Audi of BMW meer waarvoor mij de mond nog open valt (de BMW i8 daargelaten). De nieuwste Duitse statussymbolen ontlokken niet langer een; ‘wat een 8-cilinder ligt er onder de kap’, maar; ‘leuk hoor, maar nu al achterhaald’. Maar goed, uiteindelijk is de vraag ook niet wat ik er van vindt; ik kom toch op de fiets.